[COLUMN]
Bij mijn dokter ligt stelselmatig een grote hond in de behandelkamer. Hij neemt ongeveer het halve vertrek in beslag, is erg oud en stinkt nogal. Mijn arts is ook homeopathisch onderlegd. Ik zoek nog naar het verband ertussen.
Moet een behandelkamer altijd wit en keurig zijn, is dan de gewetensvraag. Wit en keurig zegt in feite niet zoveel. Voor je het weet zit een GGD-arts in een steriele ruimte met een keurige behandeltafel in je kruis te friemelen (ook waar hij niet hoort), op zoek naar inwendig schraapsel voor onderzoek. Ik wist toen nog niet dat je daar zo goed voor zoeken moest. De wilde jaren hebben gelukkig geen sporen nagelaten, alleen dan dat wit en keurig mij niet zoveel meer zegt.
Toch heb ik moeite met de hond. Zo naast de stethoscoop. Zijn adem en lichaamsgeur hebben penetrante vormen aangenomen. Ze overstijgen de status van de dokter. Hij wordt wat rafelig daardoor. Een beetje teveel homeopathisch. In mijn fantasie zie ik hem ’s avonds voor de tv met een doos bonbons op schoot, om na een intieme schranspartij vol overgave z’n handen af te likken.
Maar daarmee is het probleem van de hond nog niet opgelost. Met die fantasie. En ik kan toch moeilijk met de hand op mijn neus geknepen de behandelkamer binnen lopen. Dat staat zo raar. Dus probeer ik amechtig langszij de hond te kijken, die als een hijgend hert met giga tong omstandig huisdier ligt te wezen. En dat in een behandelkamer. Die ook niet wit en keurig is.